Ondernemingen in moeilijkheden

De wet over de continuïteit van ondernemingen van 31 januari 2009 (‘WCO’) - in werking sinds 1 april 2009 - vervangt de procedure van het gerechtelijk akkoord. En dat door een soepeler systeem dat ondernemingen in moeilijkheden de mogelijkheid biedt om opnieuw gezond te worden. Naast het juridische luik bevatte de WCO ook een belangrijk fiscaal luik. Het Koninklijk Besluit van 9 juli 2010 verduidelijkt op het fiscale vlak een aantal voorwaarden en formaliteiten.

Ter herinnering: de WCO biedt de mogelijkheid van een buitengerechtelijk minnelijk akkoord of van een gerechtelijke reorganisatie.

Een buitengerechtelijk minnelijk akkoord houdt in dat de schuldenaar met al zijn schuldeisers, of met twee of meer van hen, een akkoord sluit om de financiële toestand van de schuldenaar gezond te maken.

Een gerechtelijke reorganisatie gebeurt onder toezicht van de rechter. In dat geval zijn er
3 mogelijkheden:

  1. Een minnelijk akkoord sluiten met alle of met tenminste 2 schuldeisers.
  2. Een collectief akkoord verkrijgen over een reorganisatieplan. Dit plan moet worden goedgekeurd door de meerderheid van alle schuldeisers, die de helft van alle in hoofdsom verschuldigde bedragen vertegenwoordigen. De rechtbank moet het reorganisatieplan homologeren.
  3. De overdracht van de volledige of een gedeelte van de onderneming.

Een belangrijk fiscaal gevolg van zo een akkoord, is dat de schuldenaar voor het bedrag van de schuldvermindering een uitzonderlijke opbrengst moet boeken. Wanneer er geen of onvoldoende fiscale verliezen zijn, kan dit tot een effectieve belastingheffing leiden.

Door de WCO werd dan ook een nieuw artikel 48/1 in het Wetboek van inkomstenbelastingen ingevoegd. Dit artikel stelt de winst vrij die ontstaat uit dergelijke schuldvermindering. Maar dan wel enkel bij een gerechtelijke reorganisatie, en meer specifiek in geval van een minnelijk of collectief akkoord. Het Koninklijk Besluit van 9 juli 2010 bevat nadere toepassingsregels.

De vrijstelling wordt enkel verleend voor het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk waarin het gerechtelijk reorganisatieplan of het minnelijk akkoord volledig is uitgevoerd. Aan de aangifte in de inkomstenbelastingen moet een afschrift toegevoegd worden van het in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte vonnis, dat het reorganisatieplan heeft gehomologeerd of het minnelijk akkoord heeft vastgesteld. En dat samen met het bewijs van volledige uitvoering van het plan of akkoord.

Evenwel, zelfs indien de volledige uitvoering van het plan of akkoord nog niet werd gerealiseerd, kan een tijdelijke voorwaardelijke vrijstelling genoten worden. En dit vanaf het aanslagjaar verbonden aan het belastbare tijdperk waarin het vonnis dat het reorganisatieplan homologeert of het minnelijk akkoord vaststelt, wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Hiertoe moet de belastingplichtige de onaantastbaarheidsvoorwaarde naleven. Met andere woorden: de vrijgestelde winst moet op een aparte passiefrekening geboekt worden en mag niet tot grondslag dienen voor de berekening van enige beloning of toekenning. Worden de voorwaarden nageleefd, dan blijft de tijdelijke vrijstelling behouden tot het aanslagjaar verbonden met het belastbaar tijdperk waarin het plan of akkoord volledig is uitgevoerd. Vanaf dan zal de tijdelijke vrijstelling definitief verworven zijn.

De fiscale uitwerking van de WCO heeft onmiskenbaar het voordeel dat aan ondernemingen in moeilijkheden, die slagen in hun reorganisatie, een belangrijk fiscaal voordeel wordt gegeven. Spijtig genoeg is de fiscale regeling beperkt tot gerechtelijke reorganisaties (minnelijk of collectief) en bevat ze geen regeling voor buitengerechtelijke akkoorden.

Johan De Coster
johan.decoster@vhg.be¬