Het Hof van Cassatie bevestigde onlangs (arrest 4 juni 2010) dat de verhuur van een gebouw samen met bijkomende diensten, niet altijd onderworpen is aan btw.
Vrijstelling en aftrekbeperking
Btw wordt in de relatie tussen btw-plichtigen geacht neutraal te zijn. Dat betekent dat de afnemer de hem aangerekende btw volledig moet kunnen aftrekken, en dus voor hem geen kost mag vormen. Deze aftrekbaarheid vervalt echter wanneer hij de aangekochte goederen of diensten gebruikt voor handelingen die door de btw-wetgeving vrijgesteld zijn van btw. De verhuur van onroerende goederen is - op enkele uitzonderingen na - één van die vrijgestelde handelingen.
Verhuur met bijkomende diensten
In de loop der jaren werden diverse methodes toegepast in een poging om de vrijstelling wegens onroerende verhuur te vermijden en zo het recht op btw-aftrek over de onroerende investeringen te vrijwaren.
Eén van die methodes (die ontstaan is uit een uitspraak van het Europees Hof van Justitie in 2004, arrest Temco) bestaat erin de onroerende verhuur onder te brengen in een pakket van diensten, dat als één geheel aan de huurder wordt aangeboden. Cruciaal daarbij is echter dat deze bijkomende diensten zodanig essentieel moeten zijn voor de uitvoering van de overeenkomst, dat zij niet langer als bijkomstig mogen worden beschouwd. Dat blijkt trouwens ook uit het standpunt van de btw-administratie inzake bedrijvencentra. De btw-administratie aanvaardt namelijk dat bedrijvencentra hun prestaties in het geheel aan btw onderwerpen (dus ook de terbeschikkingstelling van lokalen) op voorwaarde dat zij een zeer ruim en welbepaald pakket van diensten aanbieden.
Cassatie: bijkomende diensten te bijkomstig
De zaak die onlangs aan het Hof van Cassatie werd voorgelegd, ging over de verhuur van een expohal met toegevoegde diensten. Zo werden aan de huurders van de zaal ook schoonmaak, verzekeringen, technische installaties, personeel voor onthaal en onderhoud, telecom en nog een aantal andere diensten aangeboden. Ondanks dit ruim dienstenpakket oordeelde het Hof van Cassatie dat deze louter bijkomstig waren aan de eigenlijke verhuur.
Er was volgens het Hof dus nog steeds sprake van een onroerende verhuur. Het deel van de vergoeding dat betrekking had op het gebruik van de zaal werd dan ook vrijgesteld van btw.
Voor verbonden ondernemingen: de btw-eenheid
Hoewel de problematiek van de vrijgestelde onroerende verhuur nog steeds actueel is, beperkt deze zich steeds meer tot niet-verbonden ondernemingen. Ondernemingen die wel verbonden zijn, kunnen de negatieve gevolgen van de btw-vrijstelling immers makkelijk opvangen door de oprichting van een btw-eenheid.
Jean-Paul Libert
jean-paul.libert@vhg.be
